Blauw Bloed


Regelmatig werd het bureau Warmoesstraat bezocht door vaste bezoekers. Mensen die even een praatje kwamen maken onder het genot van een, door een vriendelijke diender, verstrekt bakje koffie.
Meestal waren het mensen die door tegenslagen in het leven in psychische nood waren geraakt of door het jarenlange overmatige gebruik van drank of drugs een stoornis hadden opgelopen.

Eén van deze bezoekers was Karel Hendrik.
Karel Hendrik zag er altijd netjes gekleed uit. Was gekleed in een pak, een overhemd en een stopdas. Vaak hing die stropdas wat los en scheef en stond de kraag van zijn overhemd open, zodat de gele rand aan de binnenkant van de kraag te zien was. Als hij dan met vuurrode konen voor de balie stond wisten we dat hij weer een goeie slok op had.
Hij sprak nogal geaffecteerd en beweerde dat hij van adel was.
Meestal had hij een groengekleurde map bij zich en het eerste wat hij zei was: “Wil je mijn familiewapen zien?”
Vervolgens begon hij te rommelen in de papieren die zich in de map bevonden. Verkreukelde papieren met teksten, tekeningen en tabellen. Het was niet zo gauw te ontcijferen wat de inhoud van die papieren was, maar ik had het vermoeden dat hij elk stukje papier verzamelde waar indrukwekkende dingen op stonden. Misschien had hij het één en ander wel gevonden bij het grofvuil.
Uiteindelijk haalde hij tussen de paperassen een vel papier vandaan met daarop een zwart-wit tekening van een wapen. Trots liet hij deze tekening zien en met opgetrokken wenkbrauwen knikte hij dan enige keren met z’n voorhoofd naar het wapen. Met andere woorden, het was geen kattenpis wat hij liet zien. Een beetje respect voor zijn afkomst was wel op z’n plaats.

Een normaal gesprek was er niet met hem te voeren. Hij wauwelde er wat op los en na verloop van tijd verliet hij, zeker als hij weer meer gedronken had dan waar hij tegen kon, wat wankelend het bureau. Hij wist dan altijd, zonder te vallen, de twee treden van het stoepje bij de voordeur van het bureau af te dalen.

Vooral op drukke avonden, met veel arrestanten en veel administratief werk, dat gisteren eigenlijk al af had moeten zijn, met protesterende mensen voor de balie, die zojuist beroofd waren en danig kwaad waren dat er niet direct tien dienders de deur uit vlogen om de boef te vangen en wéér iemand die zich belazerd voelde door een hoertje omdat hij geen waar voor zijn geld had gekregen, was een aandachtvragende Karel Hendrik wat te veel voor het personeel.
Op een dergelijke avond werd hem wel eens de deur gewezen met de opmerking “Nù even niet!”
Vooral ook omdat hij zich zo nu en dan bemoeide met gesprekken, die gevoerd werden met mensen aan de balie. Ook dit wekte in de drukte irritatie op.

“Bonjour monsieur, je cherche l’hôtel Krasnapolsky”.
“Is er iemand Frans spreekt. Ik heb hier een fransman voor de balie!!”.
Karel Hendrik wel: “Mayonaise”.

Toen Karel Hendrik op een drukke avond weer de nodige aandacht nodig had en met de map onder de arm het bureau betrad, had men even geen tijd voor hem. De drukte van een zwoele zomeravond en het chronisch personeelstekort bezorgde het overige personeel de nodige stress. Er werd Karel Hendrik dan ook verzocht om het bureau te verlaten. Maar hij wilde niet.
Ik ben er niet bij geweest, maar uiteindelijk werd het een diender te veel, pakte Karel Hendrik bij de kraag en zette hem buiten de deur.

Hij was uitermate beledigd en sindsdien bezocht hij het bureau niet meer. Later begreep ik van collega’s dat hij vanaf die tijd regelmatig een ander bureau in de binnenstad bezocht. Daar deed een collega dienst die werkelijk blauw bloed in de aderen had en daar voelde hij zich wat beter bij thuis.