Auteur:
Fred Kruyer
jaar: 1992 |
Lydia
|
 |
Ik zag haar
in de bus. Voor het eerst sinds zeven jaar. Fijn, want we hadden altijd
een bijzondere relatie gehad. Toen, zeven jaar geleden, was ze plotseling
verdwenen. Dat was vervelend, want ik vind het niet prettig als dingen
veranderen. Het duurde even voor ik haar herkende. Ze staarde naar me
en dat hinderde me. Ik houd niet van staren en had bovendien het gevoel
dat ik iets miste. Toen stond ze op en zei me gedag. En noemde me bij
m'n voornaam. En nu herkende ik haar. Lydia.
Veel dienders
die een paar jaar op de Wallen hebben rondgelopen zouden haar ook herkend
hebben. Ik leerde Lydia in 1985 kennen in de Bijlmer. Ze was het archetype
van een Surinaamse dame. En een junk. Ze had al lang geen inkomen meer
want ze gebruikte twee gram heroïne per dag en daarop nog een gram
cocaïne. Methadon kreeg je in die tijd alleen in de gevangenis
of de politiecel. Ze was toen al een van de oudste gebruikers en had
zich tot nestrix van de plaatselijke gebruikersgroep ontwikkeld. Vanuit
de Bijlmer stapte ik over naar het centrum van Amsterdam, Lydia gleed
er naar af. Zo bleven we bij elkaar.
Lydia bezat
die typische, koninklijke waardigheid van een Surinaamse huismoeder
en dat nam een aparte aanpak met zich mee. Dat spel moest je leren en
was leuk. Totdat je haar laatste bolletjes afnam. Dan kwam ze over je
heen als een Spaanse furie. Rauw als een straatkat en levensgevaarlijk.
Ik heb in die tijd veel nieuwe woorden van Lydia geleerd.
Dat was
ook haar tragiek. Eigenlijk wilde je haar, ondanks het feit dat ze op
de bodem leefde, waardig behandelen, maar de dope maakte dat in veel
situaties onmogelijk. En dat modderde zo door tot we haar plotseling
kwijt waren. Nu stond ze naast me en er was veel veranderd. Ze was keurig
gekleed en verzorgd. Ze had een ander kapsel en ze rook lekker. Ze droeg
een dure handtas en elegante maar praktische schoenen en weer had ze
me volkomen overdonderd. We zijn gaan zitten en ze heeft me alles verteld.
Hoe ze eruit was gestapt en hoe ze was afgekickt. Op de harde manier.
Ze was naar school gegaan en had al jaren een baan in de welzijnssector.
Aan een vaste relatie was ze niet meer begonnen. Ik vond dat niet vreemd,
want met een partner deel je niet alleen de toekomst, maar ook het verleden
en soms hebben mensen te veel meegemaakt, om dat nog inzichtelijk te
kunnen maken.
In eerste
instantie was ik gelukkig. Ik heb er in twintig jaar politiewerk niet
veel gezien die het gered hebben. Want al wordt heroïnegebruik
steeds vaker gebagatelliseerd, meestal is het een hobby voor het leven.
Bij Lydia lag dat anders. Lydia was er van af. Maar de prijs was hoog
geweest. Lydia had kennelijk begrepen dat verslaving alleen gebroken
kan worden en niet genezen en was een ander mens geworden. Ze was anders
gaan denken. Anders gaan doen. Ik kan het niet bewijzen, maar Lydia
had zichzelf gebroken om met de dope te breken. Ook wanneer Lydia voldoende
gescored had om een dame te zijn, zag ik altijd de vonk. Het sluimerende
geweld van een vrouw vol vechtlust, al had haar timing haar waarschijnlijk
op de rand van de afgrond gebracht. Er was iets in Lydia wat altijd
ontzag inboezemde. Die vonk was er nu niet meer. Ze was niet alleen
'salonfähig' geworden, maar ook een stukje geblust. Onzeker aangepast.
Lydia kan
niet meer terug. Ook aan de dagelijkse sleur raak je verslaafd. Gelukkig,
want een mens mag best een tijdje in de goot leven, maar moet er niet
doodgaan. Dat zal Lydia niet overkomen. Als haar lichaam niet te veel
vernield is, zal ze haar pensioen halen en een beschaafd bejaardenhuis.
Dat is ook goed. Maar als de rolstoel haar uiteindelijk tot haar herinneringen
veroordeelt, hoop ik dat ze zich ook de goot herinnert. En met de goot
het vuur. Het vuur van de grande dame, die soms de dealers de baas was.
En soms de politie.
|