Auteur: Arnold Zwart
jaar: onbekend

1978-1982, dienstgroep 5


Watjes

Het was een donkere nachtdienst en ik zat met Nico van der W. op de auto.
Op een gegeven moment kregen we de opdracht om naar de Haarlemmerdijk te gaan.

Daar was een inbraak gaande in de plaatselijke Albert Heijn. Met gezwinde spoed reden we er naar toe en zoals het een stel goede dienders betaamd, zetten we de surveillancewagen enkele honderden meters van de winkel af.

In de straat was op dat moment niets te zien. Daar wij nog jonge dienders waren, moge het duidelijk zijn dat de adrenaline behoorlijk door ons lichaam schoot.
We bedachten een plan.
Nico zou de winkel van de westzijde benaderen en ik nam de oostzijde voor mijn rekening.

Zo goed en zo kwaad als dat ging brachten wij onszelf in stelling. We hadden inmiddels wel gezien dat het ruit van de ingang verbroken was. Daar we behoorlijk snel ter plaatse waren, dachten we dat de daders mischien nog wel binnen zouden zitten.
Heel langzaam slopen we langs de muur van de naastliggende winkels naderbij. Nog steeds was er geen enkel teken van leven.

Bij de winkel aangekomen keek ik stiekem om het hoekje door de etalageruit naar binnen. Ik keek op dat moment recht in het gezicht van een van de inbrekers.
Ik weet niet meer wie het meest hiervan schrok, maar bij mij zat het hart in de keel.

Ik zag nog wel dat er een tweetal mannen in de zaak aanwezig waren die zich uiteraard ook geschrokken naar de achterzijde van de winkel spoedden.
Bingo, dachten wij.
Dit omdat er geen achteruitgang was en de enige mogelijkheid om te vluchten via ons was. Over ons lijk natuurlijk.
Via de meldkamer hebben we eerst even de bedrijfsleider van AH ter plaatse laten komen. Dit duurde natuurlijk veel te lang. Het zal ongeveer 10 minuten geweest zijn.

Toen deze arriveerde konden we via de voordeur naar binnen. De bedrijfsleider vertelde ons waar de lichtknoppen waren en binnen een mum van tijd stond de hele zaak in een prachtig verlichte gloed.
Nu echter nog de inbrekers vinden. Dat bleek een moeilijker verhaal te zijn.

Alle paden werden minitieus doorzocht, doch helaas waren de inbrekers niet meer te vinden. We wisten echter toch zeker dat ze er niet uit gekomen konden zijn.
Een vreemde toestand dus. Tot het moment dat de bedrijfsleider ons kwam vertellen dat er ook nog een kelder was welke geheel gevuld was met kratten met lege flessen.
Deze kelder was toegankelijk via een luik in de winkel.

Wij het luik heel voorzichtig opgetild en de verlichting aangedaan. We konden naar beneden via eenhouten trappetje.
Wij naar beneden en zoeken.
Het was een behoorlijk lange ruimte en alles wat we zagen waren onmetelijke hoeveelheden met lege kratten. Van de inbrekers nog steeds geen enkel spoor.

Tot het moment dat wij achterin de kelder een grote koeling aantroffen. Dit was toch de enige plaats waar de twee zich konden bevinden. Daar wij niet wisten of de mannen al dan niet gewapend waren ,besloten we na een kort overleg dt ik met getrokken vuurwapen in de richting van de toegang tot de koelcel zou gaan staan en dat Nico de deur snel zou openen.
Zo gebeurde dus.

Op het moment dat Nico de deur hard open trok keek ik de twee inbrekers recht in het gezicht. Zij mij ook natuurlijk. Nu bleek echter dat zij banger waren voor ons dan wij voor hen. Ik zag in de ogen van beide mannen een onmetelijke angst. Een tel later zagen we dat die twee tegelijk de grond letterlijk en figuurlijk onder de voeten weg voelden glijden.
Kortom beiden vielen ter plaatse flauw van angst.
Oeps, wat nu.
Wij probeerden de beide mannen tot leven te wekken, doch hoe wij ook ons best deden, het lukte ons van geen kant. Beiden bleven bewegingsloos liggen.

Op pijnprikkels reageerden ze ook niet. We hadden nog wel de tegenwoordigheid van geest om hun hartslag te controleren, hetgeen in ieder geval nog wel goed zat.
Daarop besloten we met vereende krachten de beide mannen naar het buro te brengen.

Dat was echter makkelijker gezegd dan gedaan. Nu bleek dat volwassen mannen tillen een zware klus was. Ze moesten natuurlijk ook nog via het houten trappetje omhoog. Je kunt begrijpen dat deze klus tot hylarische tafrelen leidde. Hoe wij ook met de mannen rondzeulden, ze reageerden nog steeds niet en hielden zich krampachtig dood. Het heeft wel een kwartier geduurd, voor we beide mannen omhoog gesleept hadden.

Nu echter het vervoer naar het buro nog.
Er was op dat moment helaas geen bus voorhanden. Er waren echter nog wel twee surveillancegolfjes. Wij weer met de mannen aan de slag en beiden afzonderlijk dubbelgevouwen in de golfjes naar de Warmoesstraat gesleept. Daar aangekomen werden beiden nog steeds voor dood naar de wachtcommandant gebracht. Wij hebben ze voor de balie ter voorgeleiding neergelegd.

Voor een voorgeleiding heb je echter wel bij bewustzijn zijnde verdachten nodig.
Hierop hebben we maar een ambulance laten komen. Na enige tijd kwamen er twee ziekenbroeders het buro binnen. De broeders vertelden ons dat ze de beide heren in een mum van tijd weer in het heden terug zouden brengen.

Wij hadden natuurlijk onze vraagtekens daarbij en keken aandachtig toe wat de broeders zouden gaan doen. Eén van hen pakte een klein flesje met doorzichtige vloeistof en een klein watje. Hij drenkte het watje in de vloeistof en hield dit vlak onder de neus van een van de verdachten. Op dat moment gebeurde het ongelofelijke. De man sprong als een veer omhoog en was a la seconde weer springlevend.
Zo gebeurde ook met de tweede verdachte. Ook hij was binnen een mum weer in het land der levenden.

Nadat zij weer bij kennis waren gekomen, hebben we de broeders onder luid applaus uitgeleide gedaan en werden de twee inbrekers ingesloten teneinde hun straf uit te gaan zitten.