Auteur: Jaap Klok
Jaar: begin jaren '60
Woningnood

Klik HIER om jouw aanvulling aan dit verhaal te mailen

Het was op de Dam op een Zaterdagmorgen, bitterkoud, ik denk 1963 of daaromtrent.
Ik woonde op de Prinsengracht, met mijn vrouw en dochter en een tweede kindje op komst!
Op de “Prinsengracht 204 3-hoog vóór” om precies te zijn. Dat betekende één kamertje met keukentje, toilet in de keuken waarvan, als je er gebruik van maakte de deur open moest laten omdat je je knieën anders niet kwijt kon.
We sliepen met ze drieën in de woonkamer van 3 x 4,5 meter, hadden geen douche of wat dan ook. Diepe diepe treurigheid en armoede. Ik was in die tijd drukker en ik had een paar weken geleden besloten een kaart te drukken waarop ik kond deed van onze woonellende en mensen verzocht mij te tippen indien zij voor mij en mijn gezin een eventuele oplossing zagen.

Van karton maakte ik twee sandwichborden waarop ik met luide kreten aandacht vroeg teneinde hun interesse te wekken voor mijn probleem. Op de Dam aangekomen posteerde ik mij zo dat ik in de stroom van mensen stond die zich bewogen tussen de Kalverstraat en de Nieuwendijk.

Ik had over aandacht niet te klagen, mensen spraken mij aan, deelden in mijn narigheid, spraken mij hartverwarmend toe en gaven mij in sommige gevallen zelfs een tip en/of adres wat ik dan ijverig met kleumende handen in een boekje noteerde!

Eén keer wilde een man mij zelfs ƒ. 25,- in de hand drukken, wat ik overigens met de nodige dankbaarheid weigerde aan te pakken. Vanonder de galerij die er toentertijd nog was bij Peek & Cloppenburg op de hoek van de Kalverstraat wist ik mij gadegeslagen door twee nogal vervaarlijk uitziende agenten van politie.

Hoewel ik in mijn ogen niets verkeerds deed was ik mij terdege bewust van het feit dat zij in mij een ernstig gevaar voor de openbare zagen!

Hoelang ik daar gestaan heb weet ik niet meer, maar op een gegeven moment waren de agenten het zo zat en zagen in mijn gedrag kennelijk een dusdanige provocatie dat zij de straat overstaken en mij sommeerden onmiddellijk op te houden met het uitdelen van de kaarten, ik moest mijn sandwichborden afdoen en of ik maar met de “heren” mee wilde lopen!

Inmiddels was er een soort van oploopje ontstaan, uitgelokt door het onbeschofte gedrag van de “heren” politieagenten die zichtbaar bozer werden en tegelijkertijd daarmee een reactie van het publiek uitlokkend.

Gewapend met hun vervaarlijk uitziende zwaarden waren dit, begreep ik geen “heren” waarmee te spotten viel, dus liet ik mij gewillig meevoeren naar het zo onvolprezen bureau Warmoesstraat.

Daar aangekomen werden mij de borden, de kaarten, het boekje met adressen etc. afgenomen. Of ze me ooit naar mijn naam en adres hebben gevraagd, ik weet het niet meer.
Wel weet ik dat ik uren op een houten bank heb moeten zitten, zonder dat mij iets te eten, te drinken of een sanitaire stop werd gegund.

Vervolgens werd ik heengezonden, zonder uitleg, zonder excuus, zonder mijn kaarten, mijn borden en adresboekje maar met een illusie rijker, van de “heren” agenten van de Warmoesstraat had ik nu en in mijn verdere leven niet veel te verwachten.

Inmiddels ouder en gerijpt door het leven en milder in mijn oordeel krijg ik nog steeds een rotsmaak in mijn mond als ik over het bureau Warmoesstraat hoor praten.